1
Ergens in een van de hoeken van de grijze toren, hoog boven het gepeupel en achter dik zonwerend glas met uitzicht over de verregende stad, zaten acht dieren aan een grote houten tafel. Het waren zes heren en twee dames en zij zaten aan deze speciale vergadertafel waarop een enorme kaart van het land met al zijn kruisende en gekromde spoorlijnen was getekend. Het enorme gevaarte gaf hen een gevoel van macht, van verhevenheid, van intellectuele vaardigheid en geleerdheid, en de kinderen des lichts zaten daarom graag in deze glazen zaal. De tafel was ooit met blokken printpapier opgehoogd en eronder en ernaast lagen kapotte elektrische snoeren hetgeen de zaal een armetierig en geesteloos voorkomen gaf. Maar de warboel leek de aanwezigen niet op te vallen. Wie maakt zich nu druk over de belabberde toestand van zijn werkomgeving? En al helemaal in een overheidsgebouw! Daarvoor was men toch geen ambtenaar geworden? Daar kwam nog eens bij dat het gedierte vooral bezig was met de dagelijkse beslommeringen op ‘t Ministerie en hun kostbare tijd liever spendeerde aan het bespreken van de nieuwste roddels.
Nu waren de dieren op deze vroege vrijdagochtend bijeengeroepen om te komen bakkeleien over een nieuw project. Geleund in de zwarte leren stoelen met versleten rugleuning zaten zij te luisteren naar een van hen, A.R. Mol, die snel en vaak onbegrijpelijk afstak in een zuidelijk dialect en na iedere hap lucht zijn pince-nez recht op zijn snuitje zette.
‘Ja, en dan, hum’, loerde hij met kleine scherpe oogjes vanachter zijn kleine brillenglazen. ‘Hum, hum, hetgeen belangrijk is, en dat moeten jullie weten, hum, hum … En gaan we dit proces, hum, optimaliseren, hum, hum. En dan laten we Krijn, hum, hum, die dit toch al voor ons heeft uitgedacht, hum, en opgeschreven, hum, en dan… voilà!’ En hij lachte. Alleen.
Niemand leek echt te luisteren naar dit onderaards gemurmel. Afdelingschef Robby het Paard zat te knikkebollen, met de hoeven over elkaar heen geslagen, en het leek even of hij ging snurken. Hij sliep wel vaker tijdens vergaderingen, vooral als hij de avond ervoor de bloemetjes had buitengezet, de pruimen op sap had gezet en vervolgens de duurbetaalde ponnie was gaan melken. Het kon de andere dieren ook weinig schelen wat Mol bazelde. Ze hadden het of te druk met de computerschermpjes voor hun grauwe snuitjes of met hetgeen de buurman of –vrouw influisterde.
Het was zoals gezegd nog vroeg in de ochtend. Te vroeg om serieus te zijn. Te vroeg om te werken. Nu was het ook weer niet zo vroeg, want deze schare groep ambtenaren had natuurlijk het onbetwiste verworven recht om pas ver na het ochtendgloren aan hun dagtaak te beginnen, op een tijdstip dat andere dieren reeds uren wakker waren. Zij waren uren eerder opgestaan om hun jonge kuikens, lammeren en eendjes naar school te brengen alvorens ijverig aan hun dagelijkse taken te beginnen. Ach, ondanks die ellenlange vergaderingen vol gekwaak en gekakel was het leven van een ambtenaartje toch zo gek nog niet.
‘En, hum, dan moet we uitkijken dat de beschermde indringing zal zorgen voor een onbeschermde indringing, die, hum hum, onvoorzien zal zijn en quasi nul, maar toch mogelijk voorzien is … en … en dat is niet zo evident om dit te doen, hum, en … allez! … en ja, allez!’ Wat volgde was een technisch relaas, een lang en moeilijk verhaal vol wissels en zijsporen en kruisingen en onzichtbare aanwijzingen, en de meest ingewikkelde termen vlogen in het rond. Alleen de meest doorgewinterde ambtenaar zou het kunnen volgen. Onverwacht sloot Mol af met een raadselachtig: ‘En ik weet niet dat we toen hebben gezegd gehad, dat je gaat nooit naar een lager veiligheidsniveau moeten gaan.’
Grote ogen werden opgezet, je had een speld kunnen horen vallen. ‘Ja, dat is een opmerking die we kunnen meenemen’, antwoordde een der dieren vlug. Er werd veel geknikt. Niet begrepen.
2 Rusteloze Rudy
Onderwijl stond Rudy Hoefspan bij het grote raam te zweten, zijn haren vol kleine druppeltjes. Hij aanschouwde de zwarte raven buiten op straat, de groep die beneden op straat bij hun voitures stond en enkele voorbijgangers lonkte, bevroeg en trachtte over te halen voor een ritje naar Paname of naar een andere zuidelijke bestemming. Zij maakten een luid kabaal, deze grote, wat onrustig bewegende, doch vriendelijke raven. ‘Wat een trieste bende en ellende’, mompelde Rudy. ‘Wat een trieste bende en ellende in deze stad van de lelijke torens en de negentien corrupte burgervaders, waar het altijd regent, zelfs al schijnt de zon. Deze stad vol smerigheid en moordenaars en dieren van vreemde pluimage, van nutteloze kunstenaars en uitzuigers.’ Hij blies kort. ‘Wat een trieste bende en ellende!’
Rudy was een lange slungelige aap met een ietwat spitste snuit, waardoor zijn kop soms wel iets van een vogel weg had. Zoals van een specht misschien. En deze aap was maar wat blij dat hij binnen zat, hoog en droog boven het dierengepeupel beneden hem, veilig in het donkere glazen gebouw van ’t Ministerie waar hij tenminste lekker kon rondslingeren. Anders had hij zich geen raad geweten met zijn lange slungelige armen en bungelende benen. Een baan als automonteur of kok in een van de nabijgelegen restaurants zou niets voor hem zijn geweest. Dan zouden de bouten en moeren of de spatels en pollepels ronduit in het rond vliegen, achtervolgd door de zweetdruppels van zijn ietwat kleffe voorhoofd. Nee, het was beter dat rusteloze Rudy hier op ’t Ministerie der G.S. zat. In deze grijze omgeving vol pennenlikkers voelde hij zich thuis als een aap in de jungle. Hier wist hij haarscherp en snel wat iedereen zei en deed. Hier kon hij ongehinderd van alle ambtenarenroddels op de hoogte blijven en af en toe zelf een duit in het zakje doen. ‘Wist je dat Robby de afgelopen dagen op een conferentie was?’, fluisterde hij dan in iemands oor. ‘Hij heeft er natuurlijk weer wat pony’s staan likken.’ Vandaag hield hij zich niet bezig met geklets. Vandaag keek Rudy naar beneden.
In dezelfde straat, even verderop en voorbij de zwarte raven, liep een groep duiven achter elkaar aan, vlug en schokkerig, in de richting van de grote bruine deur van het gebouw met groen geglazuurde tegels op de gevel. De houten voordeur was normaliter gesloten en het gebouw kon alleen betreden worden via een kleine zijdeur, maar deze vrijdag stond hij open en toonde een grote binnenhal. Door het glazen dak scheen het zonlicht naar binnen en verlichtte een enorm, groen tapijt met sierlijke motieven. Buiten stonden enkele doffers bij elkaar. Duivinnen waren er niet, die moesten zichzelf elders maar bezighouden. De doffers koerden en draaiden met hun billen, spuugden op de grond of snoten de snavels, een enkeling gooide een papieren zakdoekje op de grond – iemand anders ruimt dat wel weer op. En het groepje draaide en draaide nerveus rond.
De oplettende voorbijganger had, als hij zijn hoofd snel naar links had durven draaien om naar binnen te kijken, kunnen zien dat enkele duiven op het groene tapijt zaten en dat hun kopjes op en neer bewogen. Voor hen zat een havik, met zijn rug naar de duiven toe, en ook hij boog zich naar de grond, onverstaanbaar maar de duiven achter hem knikten van goedkeuring.
‘Ze beramen daar iets’, zei Rudy. Hij hield de boel met zijn scherpe ogen in de gaten.
‘Wa zegte gij’, vroeg Robby. Hij was zojuist wakker geworden en had iets opgevangen dat meteen zijn oren spitste, klaar om erop los te hinniken.
‘Ze beramen iets, ze bekokstoven iets, die vieze duiven’, snoof Rudy. ‘Het kan niet anders of ze willen …’
‘Ach aap, houd je zelf toch niet voor de gek.’
‘Luister: als die lieden daar iets aan het bekonkelen zijn, om ons allen hier op ‘t Ministerie te doen ontplo…’
‘t Ministerie, ‘t ministerie! Monsieur Colson van ‘tminnesterie heeft zijn opgekropte woorden en zijn hart leeggestort, en verzinkt weer tot zijn bestendige maar stilzwijgende aanwezigheid’, gniffelde Krijn Wasbeer, die wat vlezig aan tafel zat en altijd op zijn qui-vive om een ongevraagde duit in het zakje te doen.
Mokkend en met zwetende lokken ging Rudy Hoefspan vlug zitten, iets in het oor fluisterend van Krijn die links van hem zat.1
3 Rubberen Robby
Robby het Paard nam een slok van zijn koffie en graaide er direct een zoete koek bij. Zijn derde al deze ochtend. De koeken waren die ochtend meegenomen door iemand die voor één keer vriendelijk wilde zijn, zo zei hij, en dus niet gekocht om de chef te paaien, en dus dacht Robby: als ze er toch liggen en gratis zijn, waarom er dan niet drie of vier van nemen? En hij doopte de koek in zijn koffie en propte hem in zijn mond. ‘Wie is er nu zo stom om daar zijn geld aan uit te geven? Nu kan ik gratis ontbijten.’ Ja, het was me er eentje, dit paard. Het was noch een luxepaard noch een werkpaard, maar een slecht gekleed ambtenarenpaard met een scherpe blik, een met een geest die het liefst met gelijkdenkenden omging, met gelijkgestemden die dezelfde passie met hem deelden. Hij wilde alleen vriendjes zijn met diegene die, net als hij, weekenden op zolder doorbracht met modeltreinen. Hij zette dan alle wagonnetjes keurig op een rij, noemde alle types en nummers op om te voorkomen dat de combinatie verkeerd werd gekoppeld, plaatste er een locomotief voor en liet de stoet vervolgens urenlang rondrijden. En met de hand op het stuurapparaat zong hij:
‘Op een klein stationnetje ’s morgens in de vroegte, stonden zeven wagentjes netjes op een rij… Toet toet toet!’
Ja, het was me er eentje, onze rubberen Robby. Hij kon goed redeneren en was ook altijd bijzonder goed op de hoogte van de gang van zaken op ‘t Ministerie. Ondanks zijn veelvuldig geslaap tijdens vergaderingen had hij toch de tegenwoordigheid van geest om wakker te schrikken en andere demagogen kritisch de les te lezen, want daar waren er genoeg van op ’t Ministerie der Grootse Spoorwegen. En wanneer er iemand aan tafel zat die hem niet beviel (nimmer een vrouwelijk dier want hij had een groot zwak voor vrouwelijke charmes), zocht Robby naar een zwakke plek in zijn betoog, een leemte in zijn kennis, een kleine breuk in de redenering, een nauwelijks te ontdekken opening en sprong er dan met volle kracht op, en schopte, zoals paarden dat doen met hun achterbenen, en liet geen spaander van zijn tegenstander heel. Hij hinnikte dan zo luid dat geen hond tussenbeide kon komen. Ja, dat kon hij goed onze Robby: scherp redeneren, bekritiseren en oreren.
Toch was het geen grote denker of filosoof, geen intellectueel, iemand die urenlang kon uitweiden over filosofie of literatuur, iemand die de dingen aanvoelde en dan tot in haar diepste kern overdacht. Hij was niet oorspronkelijk. Nee dat was onze rubberen Robby niet. Af en toe maakte hij een verwijzing naar iets dat hij had gehoord of op tv had gezien, of reageerde hij op de onophoudelijke miserie van het land. Dan zei hij cynisch en met rooddoorlopen ogen dat ‘alles Kafka was,’ om maar eens een luchtzak van een kreet te gebruiken, of dat er ‘een ondraaglijke lichtheid van het bestaan’ bestond. Dit zei hij dan zo flets en mat en zo achteloos, dat het wel leek of hij het zelf had bedacht. Want het klonk inderdaad allemaal wel erg geleerd, hetgeen spugend uit de mond van dit hinnikend paard kwam, terwijl hij wat verloren en trillerig op de achterbenen stond, dat anderen schaapachtig knikten of gaapten als geiten. En dat terwijl hij de boeken nooit had gelezen en dus de essentie van het niet-vrijblijvende nimmer aanvoelen! Maar ach, wat maakte het ook allemaal uit! Niemand geloofde toch dat hij de held van ‘t Ministerie was, die Robby, die eigenaardige einzelgänger die hij was. Te midden van die beestenboel nam hij vaak en met plezier de rol van criticaster op zich. Hij was een dwarsligger en kon anderen altijd op gevaren wijzen en hen kritisch vertellen wat er misging. Of zal gaan zijn. Of zou gaan zijn. Of was gegaan. Of zou zijn gegaan. Of zou kunnen zijn gegaan.
Hij had veel sympathie voor ’t Ministerie, voelde verwantschap met haar bestaansredenen -de ijzeren techniek- en had bij tijd en wijle zelfs een innerlijk drang om de ellebogen te gebruiken om hiermee naar boven te komen. Als het moest zelfs helemaal naar de bovenste verdieping, om daar eens orde op zaken te stellen en ’t Ministerie, waar duistere krachten elkaar vonden, vervolgens grondig te reorganiseren en opnieuw te definiëren, en alle jaknikkers en luiwammesen eruit te sodemieteren. Och, hij wilde zo graag, maar hij kon het niet! Hij was niet bij machte om naar boven te galopperen, de macht te grijpen en iedereen eens voluit in hun bek te zeggen hoe het wel moest. Want hoewel Robby droomde van heldendaden, van buitengewone bravourestukken, van het beklimmen van het podium, een held was hij nooit geweest. Daarvoor ontbrak hem de moed om daadwerkelijk tegen de heren en dames van de bovenste verdieping in te gaan. Wel lekker hinniken op de benedenverdiepingen, maar als hij naar boven werd geroepen, dan ging hij met zijn paardenstaart tussen de benen. Daarbij kon hij de macht ook niet grijpen omdat men enkel op de bovenste verdieping kon komen door geen moer te geven om de materie en de techniek.
– Leer de regels, zonder ze te kennen. –
Robby voelde zich daarentegen te veel verbonden met de techniek der staven, wissels en seinen. Alleen diegene die zich concentreerde op de lonkende macht kwam boven drijven. Oogkleppen op en om je heen trappen! Indien je jezelf daadwerkelijk inzette, je ziel verkocht had aan de Engel der Verbetering, het gangreen van verkwisting en indolentie werkelijk wilde uitroeien, dan werd je spoedig aan de kant geschoven en wel op de meest duivelse wijze: men zweeg je dood. Ze gaven je simpelweg geen opdrachten meer, nodigden je niet meer uit voor vergaderingen en begroetten je niet meer in de wandelgangen. Of, als ze je echt wilde pijnigen, zouden ze je eerst promoveren tot dossierdeskundige opdat je vervolgens allerlei rotklusjes kon gaan opknappen, om je naderhand ergens in een rommelig hok vol verouderde paperassen te stoppen waar je de jaren kon gaan zitten aftellen.
Nee, enkel holle vaten konden ver komen. Zij die hun leegte en gebrek aan innerlijk geluk moesten vullen met het leegzuigen van anderen. Och, er is niets nieuws onder de zon!
4 De CA
Buiten was het stilletjesaan gaan regenen. Druppels liepen over de grote ramen, sleepten zich voort naar beneden, naar de straat die nu leeggelopen was. En terwijl de spoormannen buiten de kragen van hun jassen opzetten en verder groeven met de spade, leken de ambtenaartjes in de grijze toren juist meer in zichzelf te keren. Ze bogen zich over de grote tafel alsof de vele lijnen en stationsnamen op de tafel alleen van dichtbij te zien waren, alsof de grauwheid buiten het laatste beetje licht had weggenomen,
Ondertussen was het woord van de Mol overgenomen door een ander, door de enige die zich niets van die grijsheid aantrok. Aan het woord was de ezel Nicolaï Schertz, een zuiger die als gewoonlijk de energie van de aanwezigen leegzoog door in zijn eigen onbegrijpelijke brabbeltaal te balken. In sneltreinvaart. Zo had hij het over dit en over dat, over daar en over hier, omdat dit en omdat dat, dan weer over deze en vervolgens weer over die. En meerdere malen verslikte hij zich, zenuwachtig struikelend over zijn eigen woorden.
‘Waar heeft die man het over?’, snoof Van den vos Reinaerde met een gekromd ruggetje.
‘Dat weet ie zelf niet eens, die natte wind, maar dat is nu Frans, de taal der grote filosofen’, zei Rudy. ‘En dus geen schone taal voor onze kleiner burgerskiljons. Het is verschrikkelijk dat ze geen woord Nederlands kunnen’, sliste hij op gedempte toon. Zo een schone taal.’
‘Zeg hebben jullie het al gehoord?’, ging de coene vos nu op gedempte toon verder. ‘Ze willen de CA aanpassen.’
‘Wat? Wie?’ Dro het Beertje spitste de oortjes en liet zijn telefoontje voor wat het was.
‘Ja ik vertel het je.’
‘Wie wil dit?’ Kleine Dro kwam ineens dichterbij omdat het over geld ging. De kleine beer, die van zoetigheden hield en daarom door de rest van het bonte gezelschap ook wel Teddybeertje werd genoemd, zat het grootste deel van zijn tijd aan zijn telefoontje vastgeplakt. Hij phubte wie hij maar kon, waar hij maar kon, wanneer hij maar kon. Weliswaar was het negeren van anderen één grote schijn, één groot spel, want ondertussen luisterde hij beslist naar hetgeen op bureau gezegd werd. Hij hield de anderen goed in de gaten. Het elkaar bespioneren was weliswaar een favoriet tijdverdrijf van het gros van de ambtenaren op ’t Ministerie, waar verveling en jaloezie alomtegenwoordig was, maar Dro was niet van het jaloerse type. Hij was enkel geïnteresseerd in geldzaken. Hij wilde zo veel mogelijk voor zo weinig mogelijk krijgen. En wanneer het onderwerp hem direct aanging, als er bijvoorbeeld werd gesproken over salarisverhogingen of veranderingen in de arbeidsvoorwaarden, dan kwam kleine Dro in actie. Alleen dan. Voor minder liet hij zich niet afleiden.
‘Je weet wel’, de vos stak zijn kromme pootje de lucht in. ‘Hierboven.’
‘Je bedoelt de directeuren Kabeljauw, Lallemans en Vanlijck?!’
‘ssst, niet zo hard. De muren hebben hier oren. Maar die drie inderdaad. En ook Bultrug, die van het materiaal, die altijd maar slechte grappen maakt om zijn slechtheid te verbergen, die zit ook in het complot.’
‘Dus ze willen de CA aanpassen?’
‘Inderdaad.’
‘En wij moeten maar slaafs volgen?’
‘Maar natuurlijk. Je weet toch dat we in een bureaucratische organisatie werken? Dan weet je ook, dat deze organisatie rigide is, dat onze betrokkenheid stuitend laag is omdat alles is voorgeschreven en kapotgeregeld om te kunnen draaien als een machine en dat wij eigenlijk niets in te brengen hebben. Dus ja, we zullen het moeten slikken.’
De andere dieren staarden uitgeteld voor zich uit.
‘Eigenlijk willen ze die afschaffen’, ging de vos verder. ‘Want ze weten dat het een wassen neus is. Iedereen krijgt met veel likken, pluimstrijken en stroopsmeren het voor elkaar dat zijn CA jaarlijks wordt opgehoogd en zo een salarisverhoging bemachtigd. Jullie weten toch dat iemand zijn coëfficiënt alleen wordt verminderd wanneer men hem of haar wil excommuniceren? En dus willen ze, om besparingen door te voeren, de salarissen bevriezen door eerst te beginnen met de CA.’
‘Laat me niet lachen!’, ging het teddybeertje verder. ‘Dan zal iedereen gaan protesteren. En wat willen ze ervoor in de plaats zetten?’
‘Weten ze niet. Daarom zullen ze wellicht de toepassingsmogelijkheden willen aanpassen. Ach … zo hoorde ik dat toch.’
‘En wanneer willen ze dit dan aanpassen?’
‘stt, niet zo hard. De muren hebben hier oren’, siste Van den vos Reinaerde. ‘Luister…’
‘En van wie heb je dit eigenlijk?’, vroeg Dro terwijl hij zich over zijn bolle buik wreef.
‘Van het WIS.’
‘Het WIS?’
‘Ja het wandelgangeninformatiesysteem.’
’Die directeuren toch’, zuchtte Dro. ‘Laat ze dan eerst besparen op hun eigen hoge salarissen. En niet als een hypocriete Zeloot hard van de daken schreeuwen en ondertussen een fles wijn bij het middageten neemt, die reeds bestaat uit rijkelijk belegde luxebroodjes, en deze dan vervolgens declareert als zakenlunch’. Hij zuchtte diep. ‘Slechte mensen ondersteunen elkaar, altijd, dat is hun voornaamste kracht. Hopelijk verliezen ze daarboven het doel van ’t Ministerie niet uit het oog … Jullie kennen toch het Principe van Petertje?’
-stilte-
‘Kennen jullie het mijn-lieve-petertje-principe niet? Och, och’ schudde hij met zijn ronde buik. ‘Nu, ik zal het jullie vertellen. Luistert! Dit principe stelt dat in een hiërarchie elke werknemer tot zijn niveau van onbekwaamheid stijgt. En ik denk werkelijk dat deze heren en dames directeuren tot hun niveau van onbekwaamheid zijn gestegen. Of erboven! … Dat ze zich met dit soort futiliteiten moeten bezighouden!’
-Er viel wederom een stilte-
De anderen keken even op. Maar noch Jan en Alleman, noch Robby waren wakker, zij sukkelden verder in hun hazenslaapje. Ook Nicolaï Schertz leek niet van zijn stuk gebracht en ijlde verder met zijn luide stem en trillende bovenlip. Zijn oratie, als van een Jezuïet, vol omwegen, plotwendingen en valse retoriek, grensde aan eigenliefde. Aan zelfzucht, aan zelfvergoding. Het was alsof hij al raaskallend zijn zelfvergoding versterkte. Hij alleen kon zichzelf liefhebben. Hij alleen kon hem aanbidden. Door te praten. Door alles te zeggen dat op zijn tong lag. Al was deze liefde gebouwd op een wankelend fundament van onzekerheid, op stenen van angst, op muren van vrees. Vrees om voor altijd te worden vergeten. En hem vergeten, dat wilde men zeker. Hem laten zwijgen en vervolgens vergeten. Maar dat kon niet, hij bleef doorbulderen, balken, alsof zijn leven ervan afhing. Alsof het de alwetende verteller was. Toch werd ook Nicolaï soms flink op zijn nummer gezet. Dan werd hij gewezen op een cijfer dat niet klopte, op een fenomeen dat niet had plaatsgevonden, op een feit dat zijn argumenten onderuithaalde. En dan verscheen er een waas voor zijn ogen, ging zijn bovenlip nog sneller trillen, zakte hij wat in elkaar, keek schichtig om zich heen en kon alleen maar uitkramen: ‘… Maar… Maar…’ Maar het was al te laat! Och, arme stakker! Op zo’n moment had zijn fundament een aardverschuiving ondergaan, zijn eigenliefde een douw gekregen, zijn kleine ego een dolksteek ontvangen. De ezel ging dan zielig in een hoekje zitten nagelbijten, zich beramen op het moment van de tegenaanval. Nu lieten de dieren hem echter verder tieren en concentreerden zich op het gesprek van de dag.
Rudy zat te gniffelen en draaide enkele keren onrustig met zijn hoofd, alsof hij op zijn hoede was voor afluisteraars. Zij ogen draaiden rondjes in de oogkassen. ‘En vindt de Zeloot dit goed?’, verwijzend naar de hinnikende zebra die zorg zou moeten dragen voor de aanpassing van het reglement.
‘Ach, die mens, die vindt alles goed. Hij begrijpt toch geen ene flierefluit van dit al en wil altijd een scheet op een plank spijkeren. Alleé, maar luistert toch en huivert! Want in het kader van de gerationaliseerde irrationele bezuinigingen en in functie van de buitenlandse zoektochten naar binnenlands talent, moeten ze daarboven toch met een plan komen. Al is het om het even wat, hé.’
‘Wat voor een plan?’
‘Maar luistert toch’, ging de vos ongeduldig verder, klaar om hetgeen hij van het WIS had gehoord rond te gaan bazuinen alsof het zijn eigen visie was. ‘Een plan is nodig met daarin een of meerdere koninklijke prestatie-indicatoren, de Kaa-Pee-Ie zogenaamd, waarnaar alles kan worden gemeten. Om ons daarmee te kunnen reguleren in plaats van de oude CA. Wie had dat gedacht? Koninklijke prestatie-indicatoren op ons Ministerie! Dus wat hebben ze van hier beneden bedacht en uit hun ondoorgrondelijke hogere hoed getoverd? Ze hebben bedacht…
‘Oh mirakel’, riep Krijn.
‘Ze hebben bedacht om voor de koninklijke prestatie-indicator te nemen: een maat voor het algehele geluk. Jawel, een meesterlijke zet! Het algehele geluk als kaa-pee-ie-tje! Dit algehele geluk, het geluk van alle ambtenaren tezamen, zal geïndexeerd en becijferd gaan worden. Want van de afdeling hierbeneden, ge kent ze wel, waren ze erachter gekomen, na het veelvuldig lezen van veler wetenschappelijke documenten en geschriften, dat een mens, in het algemeen gesproken, eigenlijk altijd een voldoende geeft aan zijn staat van welzijn en welbevinden. Een zeventig-op-honderd. Een zeven-op-de-tien. Een vier-op-de-vijf. Zelfs in harde en moeilijke tijden past eenieder zich aan en zal bij benadering altijd weer zeggen dat het hem redelijk gaat, dat er niet geklaagd mag worden. Al klaagt hij natuurlijk de godganse dag: dat er nog werk gedaan moet worden, dat er problemen zijn, dat er … Allee zeg! De mens mokt en sakkert en kreunt en jeremieert, en is nooit tevree. Maar allee, bij ondervraging gaat het eigenlijk zo slecht nog niet. Manisch depressieven en schizofrenen daargelaten natuurlijk, die geven stelselmatig een één of twee of drie als cijfer, zoals die man op de vijfde verdieping die iedere dag een flesje wodka wegklokt op het toilet. Van je klok-klok-klok. Dit vertelde Fatima me, de mooie met haar kastanjebruine ogen, dat ze daar weleens een leeg flesje van het goedkoopste-van-het-goedkoopste vindt, iedere dag, het verdriet van…’
‘Het verdriet van ‘t Ministerie’, kwam Krijn Wasbeertje weer tussenbeide.
‘Juist! Maar hoort ge dat? Een meesterlijke zet van hierbeneden! Zo een koninklijk zetje geven aan die bavianen van boven. Altijd zweeft en circuleert dit cijfer natuurlijk rond de zeventig-op-de-honderd. Zo kan er gezorgd worden dat er geen vuiltje aan de lucht is en jaarlijks om salarisverhoging worden gevraagd.’
‘En hebben ze dit goedgekeurd?’
‘Ach mijn beste, die grote lichten keuren toch meteen alles goed, vooral als ze de indruk naar het Parlement toe zouden kunnen wekken dat ‘t Ministerie der Grootse Spoorwegen alles in staat zal stellen om ons besloten gezelschap als een doorzichtige en doelgerichte organisatie te besturen. Alsof het hier een fabriek is waar aan de lopende band, op een zeer efficiënte en effectieve wijze, ambtenaren worden geproduceerd, allemaal even gelukkig en blij, en die vervolgens zorgen voor paperassen die vervolgens de arbeiders aansturen. Een meesterlijke zet, een meesterlijke zet! Want wij zitten hier maar rondjes te draaien en elkaar te bespioneren, want onze geestelijke bijdrage wordt niet op prijs gesteld, enkel onze stoffelijke aanwezigheid, en we krijgen toch ons loon, en het kaa-pee-ie-tje blijft continue rond de zeven hangen en iedereen is tevreden.’
‘En nadat we de stoffige fabriekshal vol paperassen hebben verlaten, gaan we de kisten in, worden we in vrachtwagens geladen en gaan op weg naar de vuilstort’, zei de mol cynisch terwijl Teddybeertje terug met zijn telefoontje zat te spelen.
‘En de minister?’
‘De minister? Ach ja, tuurlijk … die heeft toch al helemaal geen flauw benul van wat er gaande is. Voor hem zijn we crapuul, de burgerij, het schuim der aarde.’
‘Minister E. Kamerlinghs is een egel en geen vos, en als ik mijnheer Berlin mag geloven dan is het een man met een éénduidige visie en dichtgetimmerd denkpatroon. Alles moet passen in zijn denkdoosje en als het er niet in past dan bestaat het niet, geen greintje empathie hè, en dit is iets dat zeker is want de secretaresse van de derde verdieping vertelde me toch zo fijntjes tussen neus en lippen door dat hij een doordouwer is, over lijken gaat zogezegd… uhm… zonder schaamte. Want als je succesvol moet zijn, moet je toch iets anders missen. En den egel verkoopt het herkenbare en vierkanten cliché beter dan de zichzelf voortdurend tegensprekende werkelijkheid die wankelt en uitglijdt op het glibberige pad van de tijd.’
Er werd hier en daar wat geknikt. De meeste dieren verschuilden zich weer achter hun schermpjes.
‘Zeg, over iets anders: heb jij dat dossier nog afgetikt?’
‘Ja en door de lijn gestuurd. En nu maar wachten tot iedereen zijn plasje erover doet en ik alleen de punten en komma’s nog terugzie.’
‘Als het dan geen puntkomma moet zijn van onze eerwaarde, laat ze dan maar een poepie ruiken!
‘Maar dat gelooft toch niemand’, schreeuwde de stier Jan en Alleman uit.
‘Met een scheef oog keek de vos naar de muur en riep: ‘Maar neen, zoals het hier staat in onze…’
Hij liep naar een ingelijste brief met een tiental hoofddoelen – want alles, maar dan ook echt alles was belangrijk op ’t Ministerie – en hing het lijstje weer recht, waarna het weer scheef kwam te hangen. En hij snoof schertsend: ‘We hebben toch met zijn allen gezegd dat we veiligheid op nummer één zetten? Dat is te zeggen, dat er niet getornd mag worden aan de veiligheid van de reiziger en de medewerker, met natuurlijk, zoals het hier staat, inbegrip van de kwaliteit, stiptheid, capaciteit, vertrouwelijkheid, continuïteit, blablabla, enzovoort, enzovoort, et cetera, et cetera. En deze brief, die ook gesigneerd is door de minister, hebben ze dan zo stilletjes hier aan de muur gehangen, zonder dat we dat doorhadden, zonder het ons te vertellen, en toen…’
‘Zeg, daar zullen ze dan wel hun redenen voor gehad hebben hoor!’, snauwde het wasbeertje, die altijd alles wilde vergoelijken omdat hij trots op ’t Ministerie was. De kleine Krijn kon ook moeilijk iets negatiefs zeggen want in al zijn ambitie ambieerde hij toch het stijgen der glibberige ladders. En vaak zat hij urenlang in de spiegel te kijken, in zijn grote woning waar hij alleen woonde, en zich in te beelden dat hij over enkele jaren dan toch wel directeur kon worden. Of op zijn minst onderdirecteur. Niet een hele grote, van heb-ik-je-nou-daar en een die iedereen een trap onder zijn achterste geeft als hij niet kruiperig opzij gaat in de lift of de gang, maar dan toch wel een kleine directeur.
‘Ach kom toch’, sliste Reynaerde.
5
En zo ging het verder en verder, en begon de zon al hoger op te kruipen, achter het grijze wolkendek der ellende. De groep verliet de vergaderzaal, nam de lift om een verdieping te dalen en snelde zich door de grauwe gang naar de bureaus om er onverschillig te wachten tot het tijd was voor het middageten. Een enkeling ging om de tijd te doden een bekertje goedkope koffie halen bij de automaat in de gang.
‘Hé,’, werd er plots geroepen toen de deur openging en P. Vaercken, gelijk Storm binnen kwam stormen, gestoken in roodbruine brogueschoenen, geel ribfluwelen broek, de lederen ceintuur hoog boven de navel en in een jasje met dasje. Hij piepte, deze luitenant-overluitenant, gelijk de kleine generaal.
‘Zeg, ik ben net boven geweest’, knikte hij schuin met zijn koppie. ‘Maar het is een miserie. Ze zeggen wel A, maar doen er alles aan om B te realiseren. En tussen ons gezegd en gezwegen…’
Maar niemand schonk meer aandacht aan zijn gepiep. Want er waren nog taartjes! En wat is nu nog belangrijker dan een lekkere, zoet koek op de niet-meer-al-zo-vroege vrijdagochtend op het Ministerie der Grootse Spoorwegen?
6 Zoetje
Later die dag, toen de zoete koeken reeds waren opgesnoept en Robby vluchtig de laatste had weggegrist, de koffie was koud geluld door de ezel en het opgehouden was met miezeren, zaten de dieren weer achter de bureaus vol onnodige paperassen en papier waar geen kip in keek. Om de verveling tegen te gaan, zat de sluwe vossenkop de wasbeer en enkele andere dieren op te hitsen. Zijn tong sliste en zijn vossenogen fonkelden en rolden van links naar rechts. Hij zat vol passie over een nieuw piramidespel te spreken: een uit Amerika overgewaaid geldspel met nieuw en ontastbaar geld, een soort van digitale munt en waarbij door het overmaken van een kleine investering geld kon worden verdiend. Dit keer ging het om geld, heel veel geld. ‘Als je natuurlijk slim bent’, zo keuvelde hij op een zo luchtige mogelijke toon, ‘stap je nu voor enkele honderden euro’s in en wacht je rustig af. Want het blijft maar stijgen, dat kun je zelf nagaan, hier ik zal het je tonen, en daarmee kun je fortuinen verdienen. Het is de nieuwste technologie! Je bent een rund als je niet meedoet!’ Maar de dolle stier die er ook bijzat, was niet voor één gat te vangen. Hij praatte in zichzelf zonder het door te hebben en zei: ‘Jan en Alleman, je hebt toch iets belangrijks geleerd van je vader: Neem nooit een investeringsadvies aan van iemand die nog moet werken voor zijn geld’. Ach hemeltje, had Wasbeer dit nu ook maar gehoord! Want intelligent dat hij was, hij liep nu toch met ogen open in de meest listige val. Maar voordat hij geld wilde overmaakte naar een rekening, die de vos hem gegeven had, stelde hij toch even de vraag: ‘Zeg, wat als het nu niet lukken zal, krijg ik dan mijn inleg terug?’
‘Ach Krijn’, sliste de vos en hij leunde achterover en bracht vol zelfvertrouwen zijn handen achter in zijn nek. ‘Wat kan er nu misgaan? Kijk maar eens hier hoe snel die koersen stijgen. Hier kijk dan! Dat is pas snel en gemakkelijk geld verdienen. Als je nu niet instapt…’
‘Ja ja, je hebt gelijk. Want als ik nu inleg, en het is natuurlijk zo dat er nu veel vraag naar is en dat dan de prijzen stijgen, dan gaat het omhoog en dan kan ik veel geld verdienen. Zonder risico, daar kan niets mis meegaan.’ Zo zat het wasbeertje zijn handelingen goed te praten. Hij stond op het punt de transactie gereed te maken toen hij een pieptoon hoorde.
-De telefoon ging-
‘Ja zoetje’, antwoordde de coene Vos poeslief. ‘Ja? … Maar, kan moeke dat niet regelen?’ Plots kroop hij als een gebeten hond in elkaar. ‘Oei. Ja, natuurlijk zoetje… Wat zegde ge? Ja natuurlijk zoetje, ik kom direct.’
‘Problemen thuis?’
‘Ik zal helaas moeten doorgaan’, de teleurstelling was in zijn ogen te lezen. ‘We zullen dit de volgende keer maar in orde moeten maken. Krijn, Jan en Alleman: een goedenavond.’ Hij pakte zijn tas en vertrok halsoverkop.
Ach het kon natuurlijk niet zo zijn dat Van den vos Reinaerde altijd zijn zin kon krijgen. Er waren tijden bij dat het kleine boerenvosje zijn streken moest laten varen. Plots waren er momenten dat hij zijn plannetjes moest laten zijn voor wat ze waren: kinderlijke kwapitserijen. Soms was het omdat hij schrok van de boze toon van een ongeduldig wolvenvrouwtje op ‘t Ministerie die hem grommend vermaande het een of ander te doen. ‘Ik zal haar man Isengrinus binnenkort een loer draaien’, beet hij dan op zijn lip. Soms was het omdat zijn eigen hermelijntje hem abrupt van thuis opbelde, zoals vandaag het geval was, en klaagde haar zenuwen niet meer te kunnen bedwingen en dat de wormen uit haar kop begonnen te kruipen. Dan schrok de kleine boerenvos en spoedde plichtsgetrouw naar huis. Daar kwam nog bij dat een knagende gedachte zich reeds had postgevat in het slimme, sluwe brein. Een gedachte die hem niet losliet en zijn bruine haren overeind liet staan. Dat zijn kleine hermelijn, dat lieve en tere zieltje, om haar kronkelende wormen te laten ontsnappen, stiekem het slot van de achterdeur had gedaan om Broer Konijn binnen te laten. Om hem in huis te ontvangen! Hij die de natuurlijke gave had om die vrouwelijke zenuwen te laten ontsnappen. En het idee dat zijn aartsrivaal bij hem thuis op de bank zat naast zijn kleine zoetje, vrat aan hem en maakte dat hij nog sneller ging rennen. Want er werd gebabbeld in het dorp. Er was veel roddel en achterklap. Dat er een gerucht betrekking had op hemzelf, dat wist hij ook, al wist hij niet waar het vandaan kwam, wie erachter zat. En nog niet zo lang geleden was er visite thuis, enkele bewoners uit dorp en streek waren langs voor het avondeten, en bij het drinken van enkele forse bieren flapte iemand eruit: dat zijn twee dochters toch wel erg op de moeder leken, maar toch minder op de vader.
En zo spoedde het vosje zich naar huis. Voortgestuwd door een donker denkbeeld tussen zijn oren. Zoef de trap af, langs de bewaker die er voor spek en bonen bij zat, door de poortjes naar buiten, het grijze gebouw vol ambtenaren uit, met flinke tred naar het grote en bouwvallige station, – het gebouw waar niemand iets van begrijpt, zelfs de architect niet, – rennend langs de dronkenlappen de stationshal binnen om verderop weer met de trap naar boven te vluchten, naar het oude perron dat van lamlendigheid uit elkaar viel, om daar ongeduldig te moeten wachten op de trage trein die hem weg zou voeren, uit de miezerige stad met de lelijk torens en van de 19 corrupte burgervaders. Daar was het gevaarte dan eindelijk! Nagelbijtend en schichtig om zich heen kijkend zat hij ongeduldig op het leren bankje in de trein naar gammerages, die maar niet hard genoeg kon rijden. ‘Waarom moest het toch zo lang duren!’, vroeg het vosje zich luidkeels af. ‘Zou het…, zou het zo zijn dat…? Och eindelijk zie ik mijn boerendorp in de verte!’ En bij aankomst ging hij met een sprong naar buiten en spoedde hij zich vliegensvlug naar huis, zo snel zijn vossenpoten hem konden brengen om daar over de brede oprijlaan naar de voordeur te rennen, stuntelig de sleutels in het slot stekend. -Waarom pakt dat kloteslot niet meteen? – Klik; open! en hij rende de trappen op, de gang door, om daar in de master bedroom zijn vrouw in bed te vinden: rustig slapend met enkel een dun wit laken over haar naakte lichaam. Aaaah. En bij het zien van zijn hermelijntje in katzwijmpje was hij weer gerustgesteld.
Ben jij het?
Ja zoetje.
Och, kun je dan wat limonade voor me halen?
Voor jou altijd zoetje!
En doe er ook wat zoete koeken bij.
Zo liep hij hijgend de trap af om in de keuken het koninginnenmaal klaar te maken. ‘Och, och, het is niets… Gelukkig! Waar maakte ik me ook al weer zo druk om?’
Toch, als hij even de moeite had gedaan om zich naar links te draaien en uit het raam te kijken, de lange tuin in, die doorliep tot aan het spoor in de verte, dan had hij daar nog net een pezige gestalte met lange bungelende oren kunnen zien wegrennen. Met de broek half op zijn witharige enkels.
Donaties zijn welkom!